ECLI:NL:RVS:2025:4157
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 3 januari 2025 niet in behandeling is genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 9 juli 2025 ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld, waarbij werd meegewogen dat België op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek en dat de overdrachtstermijn tot 9 januari 2026 loopt. De overdracht aan België zou geen onomkeerbare gevolgen hebben, aangezien een terugleiding naar Nederland mogelijk blijft indien Nederland verantwoordelijk wordt geacht.
Gezien deze omstandigheden en de belangen van beide partijen, heeft de voorzieningenrechter besloten geen voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is afgewezen en de minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de overdracht en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is afgewezen.