ECLI:NL:RVS:2025:4203
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Gundelach
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen voor niet-vergunde schuur ondanks legalisatiepogingen
Appellant bouwde in 2006 een schuur die deels op gronden met bestemming 'Bedrijf' en deels op gronden met bestemming 'Bos' stond. Het college verleende in 2015 een omgevingsvergunning voor het gedeelte binnen de bestemming 'Bedrijf', met de voorwaarde dat het niet-vergunde deel binnen zes weken moest worden afgebroken. Na het niet voldoen aan deze last legde het college dwangsommen op en besloot in 2018 tot invordering van € 50.000 aan verbeurde dwangsommen.
Appellant diende in 2018 een aanvraag in voor legalisatie van de schuur, die het college in 2023 weigerde. De rechtbank verklaarde dit besluit in 2024 gegrond en vernietigde het, waarna appellant hoger beroep instelde tegen de invordering van de dwangsommen. Hij voerde aan dat de legalisatiemogelijkheden bijzondere omstandigheden vormden om van invordering af te zien.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat aan het belang van invordering van dwangsommen veel gewicht moet worden toegekend en dat alleen bijzondere omstandigheden tot afzien kunnen leiden. De door appellant aangevoerde schorsingsbeslissing en legalisatiepogingen vormden geen bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de invordering van de dwangsommen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.