ECLI:NL:RVS:2025:4284
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit tijdelijke bescherming vanwege onjuiste uitleg begrip echtgenoot
Appellant had bij besluit van 26 juli 2024 van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te horen gekregen dat hij niet voldeed aan de vereisten voor tijdelijke bescherming volgens Richtlijn 2001/55/EG. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat partijen het eens waren over het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk tussen appellant en zijn echtgenote, die tijdelijke bescherming geniet. De minister stelde echter dat appellant geen duurzame relatie met haar onderhoudt, omdat hij sinds eind 2022 geen contact meer heeft en zijn echtgenote met een andere man samenwoont.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de minister volgde in het standpunt dat het enkele feit van een rechtsgeldig huwelijk niet automatisch betekent dat appellant een gezin vormt met zijn echtgenote. Volgens de toepasselijke richtlijn en het uitvoeringsbesluit valt appellant als echtgenoot onder de categorie gezinsleden die in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom appellant ondanks het huwelijk niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming.
Daarom vernietigde de Afdeling het besluit van 26 juli 2024 en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van 26 juli 2024 wordt vernietigd en appellant komt in aanmerking voor tijdelijke bescherming als echtgenoot.