ECLI:NL:RVS:2025:4406
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering handhaving en omgevingsvergunning voor keerwand en erfafscheiding
Het college van burgemeester en wethouders van Westland verleende een omgevingsvergunning voor de bouw van een keerwand op het perceel van [partij]. [appellant], wonend naast dit perceel, stelde dat de keerwand in afwijking van de vergunning was gebouwd en verzocht om handhaving. Het college verleende vervolgens een legaliserende vergunning en wees het handhavingsverzoek af. Tevens weigerde het college handhaving tegen een erfafscheiding van palen met gaaspanelen op opgehoogde grond.
[appellant] stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond. In hoger beroep betoogde [appellant] onder meer dat de keerwand hoger was dan toegestaan, dat het bouwbesluit werd geschonden, en dat de erfafscheiding niet omgevingsvergunningsvrij was omdat de hoogte vanaf het natuurlijke maaiveld gemeten moest worden.
De Afdeling oordeelde dat de hoogte van de keerwand correct was gemeten vanaf het hoogste aansluitende maaiveld en dat het bouwbesluit niet was geschonden. Het college was na vergunningverlening niet meer bevoegd tot handhaving tegen de keerwand. De Afdeling stelde echter vast dat de ophoging waarop de erfafscheiding staat niet past bij het natuurlijke verloop van het terrein en dat de ophoging niet noodzakelijk was voor de erfafscheiding. Hierdoor is de erfafscheiding niet omgevingsvergunningsvrij en moet het college het bezwaar opnieuw beoordelen.
De Afdeling vernietigde het besluit van 20 augustus 2021 dat handhaving tegen de erfafscheiding weigerde en bepaalde dat het college binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij alleen beroep bij de Afdeling mogelijk is. De overige uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is deels gegrond verklaard en het besluit dat handhaving tegen de erfafscheiding weigerde is vernietigd.