ECLI:NL:RVS:2025:4496
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bewaring vreemdeling wegens onrechtmatige voortzetting na kenbaar gemaakte vertrekwens
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 4 november 2024 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat appellant zijn vertrekwens om vrijwillig terug te keren naar Turkije tijdig en concreet kenbaar heeft gemaakt door het overleggen van zijn paspoort en een vliegticket kort na oplegging van de bewaring. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de minister niet hoefde aan te nemen dat appellant daadwerkelijk zelfstandig zou terugkeren.
De Raad van State stelt vast dat eerdere tegenstrijdige verklaringen van appellant niet langer relevant zijn na de afwijzing van zijn tweede asielaanvraag en de daarop volgende concrete handelingen. Hierdoor was de voortzetting van de bewaring onrechtmatig vanaf 4 november 2024. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het hoger beroep gegrond verklaard en aan appellant een schadevergoeding toegekend. Daarnaast worden de proceskosten ten laste van de minister gebracht.
Uitkomst: De bewaring van appellant was onrechtmatig vanaf 4 november 2024 en hij krijgt een schadevergoeding toegekend.