ECLI:NL:RVS:2025:4515

Raad van State

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
24 september 2025
Zaaknummer
202404452/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:17 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing dwangsom bij niet tijdig beslissen over SMI-tegemoetkomingen

Op 28 februari 2023 ontving het college achttien brieven van appellant met verzoeken om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van opvang van zijn zoon op basis van een sociaal-medische indicatie (SMI) voor de periode maart 2023 tot en met augustus 2024. Het college stelde deze aanvragen op 6 april 2023 buiten behandeling omdat appellant niet tijdig de benodigde gegevens aanleverde.

Appellant stelde het college vervolgens in gebreke wegens het uitblijven van besluiten, waarna het college bij besluit van 4 mei 2023 bepaalde dat geen dwangsom verschuldigd was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Afdeling oordeelt dat de achttien brieven als één aanvraag mogen worden beschouwd en dat het college tijdig een besluit heeft genomen. De ingebrekestelling was te laat om een dwangsom te rechtvaardigen. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe gronden die het oordeel van de rechtbank konden weerleggen.

De Afdeling benadrukt dat het niet relevant is of het besluit rechtmatig was, maar dat het feit dat een besluit genomen is bepalend is voor de vraag of een dwangsom verschuldigd is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college is geen dwangsom verschuldigd.

Uitspraak

202404452/1/A2.
Datum uitspraak: 24 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Pernis, gemeente Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juni 2024 in zaak nr. 23/5627 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2023 heeft het college bepaald dat het [appellant] geen dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig nemen van een beslissing.
Bij besluit van 25 juli 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting aan de orde gesteld op 5 september 2025. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 28 februari 2023 heeft het college achttien brieven van [appellant] ontvangen, waarin hij, over de periode van maart 2023 tot en met augustus 2024, per afzonderlijke maand heeft verzocht om toekenning van een tegemoetkoming in de kosten van opvang van zijn zoon op basis van een sociaal-medische indicatie (hierna: SMI-tegemoetkoming). Bij besluit van 6 april 2023 heeft het college deze aanvragen met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten behandeling gesteld, omdat [appellant] de voor de beoordeling van de aanvragen benodigde gegevens niet binnen de daartoe gestelde termijn had aangeleverd. Bij brief van 26 april 2023 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van besluiten op zijn achttien aanvragen. Hierop heeft het college het in het procesverloop van deze uitspraak vermelde besluit van 4 mei 2023 genomen.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft overwogen dat het college de achttien brieven, die elk zien op een tegemoetkoming voor een andere opvolgende maand, terecht heeft aangemerkt als één aanvraag. Bij besluiten over maandelijkse financiële tegemoetkomingen of uitkeringen is het gebruikelijk dat in het toekenningsbesluit de periode vermeld wordt waarop dit ziet dan wel dat vermeld wordt dat het gaat om een toekenning voor onbepaalde tijd. Hoewel het college [appellant] er bij herhaling op heeft gewezen dat hij een specifiek formulier, dat bestemd is voor het indienen van een aanvraag om een SMI-tegemoetkoming, moet gebruiken, heeft hij dit niet gedaan. Bovendien heeft hij de achttien brieven in dezelfde enveloppe verzonden. Dat het [appellant] niet duidelijk was op welke wijze hij de SMI-tegemoetkoming moest aanvragen, is niet geloofwaardig, aangezien hij ook een SMI-tegemoetkoming voor zijn dochter ontvangt. Alles wijst erop dat zijn handelwijze erop gericht is om zand in de machine te strooien en zodoende dwangsommen te ontvangen wegens niet tijdig beslissen, wat een kwalijke manier van procederen is.
Het college heeft zich bij het besluit op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat het op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb geen dwangsom verbeurt, omdat de ingebrekestelling dateert van na het besluit van 6 april 2023. Met dat besluit is immers een besluit genomen op de aanvraag. Dat het college dit besluit bij besluit van 17 juli 2023 heeft herroepen, waarbij [appellant] opnieuw de gelegenheid is geboden om stukken over te leggen, maakt niet dat er op 6 april 2023 geen besluit is genomen. Voor de vraag of op een bepaald moment sprake is van een besluit is niet van belang of dat besluit al of niet rechtmatig is.
Beoordeling
3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep aanvoert zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1 en 4.2 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2025
452-1159