ECLI:NL:RVS:2025:4533
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- D.A. Verburg
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking Nederlanderschap wegens onvoldoende bewijslast betrokkenheid genocide Rwanda
Appellant, geboren in Rwanda in 1949 en sinds 1997 in Nederland verblijvend, kreeg in 2003 het Nederlanderschap toegekend. Dit werd in 2013 ingetrokken omdat hij tijdens de toelatings- en naturalisatieprocedure zou hebben gezwegen over zijn rol bij de genocide in Rwanda in 1994. De minister baseerde dit op een individueel ambtsbericht van Buitenlandse Zaken, waarin appellant werd geassocieerd met ernstige misdrijven.
De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende zorgvuldig was gemotiveerd en dat er concrete aanknopingspunten waren die twijfel zaaiden over de juistheid van het ambtsbericht. De minister stelde hoger beroep in, maar de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de rechtbankuitspraak. De Afdeling concludeert dat de minister niet heeft voldaan aan de bewijslast en dat het ambtsbericht en de onderliggende stukken tekortkomingen vertonen.
De Afdeling bespreekt uitgebreid de rol van appellant als directeur-generaal van ISAR, zijn vermeende betrokkenheid bij de ADC, CRP en CDR, en de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen en documenten. De Afdeling wijst erop dat de minister onvoldoende heeft aangetoond dat appellant effectief gezag had of op de hoogte was van de misdrijven. Ook is de redelijke termijn in hoger beroep overschreden, waarvoor een schadevergoeding wordt toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden en een nieuw besluit nemen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; de minister moet een nieuw besluit nemen.