ECLI:NL:RVS:2022:1267
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging betrokkenheid genocide Rwanda
Appellant verblijft sinds 1998 in Nederland en verkreeg in 2002 het Nederlanderschap. In 2013 trok de staatssecretaris dit in op grond van artikel 14 RWN Pro vanwege verzwijging van zijn betrokkenheid bij ernstige misdrijven tijdens de Rwandese genocide van 1994.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de intrekking geen strafrechtelijke sanctie is, dat het individueel ambtsbericht zorgvuldig is opgesteld en dat de bewijsvoering voldoende is. Appellant stelde dat de intrekking een strafrechtelijke procedure betreft, dat de onschuldpresumptie is geschonden, en dat hij onvoldoende toegang had tot de onderliggende stukken.
De Afdeling oordeelt dat de intrekking een bestuurlijke maatregel is, geen strafrechtelijke sanctie, en dat de bewijsstandaard passend is. Het individueel ambtsbericht en de aanvulling zijn zorgvuldig tot stand gekomen en bieden voldoende grondslag voor het besluit. De belangenafweging is evenredig, en de procedure voldoet aan de eisen van een eerlijk proces en effectieve rechtsbescherming. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wordt bevestigd wegens verzwijging van zijn betrokkenheid bij genocide, met inachtneming van procedurele waarborgen.