ECLI:NL:RVS:2025:460
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling na niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning
De minister van Asiel en Migratie verklaarde op 23 september 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 6 januari 2025 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond was en bepaalde dat de vreemdeling niet mocht worden uitgezet zolang het hoger beroep aanhangig was. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel bestonden uit kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan op 5 februari 2025 en is van belang omdat het de positie van vreemdelingen in procedures rondom verblijfsvergunningen beschermt door uitzetting te voorkomen tijdens de behandeling van hoger beroep.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.