ECLI:NL:RVS:2025:4612
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en vervanging beslistermijn in hoger beroep tegen ministeriële beslissing vreemdelingenrecht
In deze zaak staat het hoger beroep centraal van appellanten tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, waarin de rechtbank de minister van Asiel en Migratie had opgedragen om voor 1 april 2026 een besluit te nemen op een aanvraag. De rechtbank had een beslistermijn van 90 dagen opgelegd, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet voldoet aan de rechtsbescherming die artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt. Daarom vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de minister een termijn tot 1 april 2026 oplegde.
De Afdeling vervangt deze termijn door een meer genuanceerde regeling: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, met verlengingen tot acht, zestien of twintig weken afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten, een bedrag van €907,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van beslistermijnen in vreemdelingenzaken en benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige en proportionele termijnstelling die aansluit bij de wettelijke en Europese kaders.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de beslistermijn wordt vervangen door een flexibele termijnregeling met vergoeding van proceskosten aan appellanten.