ECLI:NL:RVS:2025:4621
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met bestuursrecht en richtlijn
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had eerder een termijn van 90 dagen opgelegd waarbinnen de minister een besluit moest nemen, gerekend vanaf het moment dat de aanvraag inhoudelijk in behandeling werd genomen volgens het 'first in, first out'-principe.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming die artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt te bieden. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de minister opdraagt voor 30 juni 2025 een besluit te nemen.
In plaats daarvan stelt de Afdeling nieuwe termijnen vast: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, acht weken indien de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt, zestien weken bij nader onderzoek, en twintig weken indien beide maatregelen worden toegepast. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellanten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte termijnen in bestuursrechtelijke procedures en de naleving van Europese richtlijnen ter bescherming van de rechtspositie van vreemdelingen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de eerdere termijn en stelt nieuwe termijnen vast voor besluitvorming over de machtiging tot voorlopig verblijf.