ECLI:NL:RVS:2025:4693
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank Den Haag had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen om voor 30 november 2026 een besluit te nemen.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn van 90 dagen heeft opgelegd, omdat deze termijn niet strookt met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling vernietigt daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin de minister een termijn tot 30 november 2026 werd opgelegd. In plaats daarvan stelt zij nieuwe termijnen vast, variërend van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister herstel van verzuimen of nader onderzoek aanbiedt.
Daarnaast veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 1 oktober 2025.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de termijn van de rechtbank en stelt nieuwe termijnen voor besluitvorming door de minister vast.