ECLI:NL:RVS:2025:4695
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en vervanging beslistermijn machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep
Appellant en betrokkene hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de minister voor 30 juni 2026 een besluit moest nemen.
In hoger beroep klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn van 90 dagen hanteerde, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe. Dit is in strijd met artikel 8:55d van de Awb en biedt onvoldoende rechtsbescherming conform de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt daarom het eerdere oordeel en vervangt de termijn door een variabele beslistermijn, afhankelijk van het al dan niet aanbieden van herstel van verzuimen en nader onderzoek. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de eerdere beslistermijn en stelt nieuwe termijnen vast voor het nemen van een besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.