ECLI:NL:RVS:2025:4696
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit in hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde een beslistermijn van 90 dagen vast, te rekenen vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe.
In hoger beroep klaagt appellant terecht dat deze termijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en onvoldoende rechtsbescherming biedt zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover deze de minister opdroeg voor 30 augustus 2026 een besluit te nemen.
De Afdeling vervangt de termijn door een nieuwe regeling: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, met verlenging tot acht, zestien of twintig weken afhankelijk van of de minister herstel van verzuimen aanbiedt, nader onderzoek verricht, of beide. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de opgelegde beslistermijn en stelt nieuwe termijnen vast voor het besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.