ECLI:NL:RVS:2025:4707
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en EU-richtlijn
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde een beslistermijn van 90 dagen vast, te rekenen vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet voldoet aan de rechtsbescherming die artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt. Daarom vernietigde de Afdeling het vonnis van de rechtbank voor zover het de minister opdroeg vóór 30 december 2026 een besluit te nemen.
In plaats daarvan stelde de Afdeling een nieuwe termijn vast die varieert van vier tot twintig weken, afhankelijk van de omstandigheden zoals het aanbieden van herstel van verzuimen en nader onderzoek. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiermee wordt de rechtsbescherming van de appellant versterkt en in overeenstemming gebracht met nationale en Europese regelgeving.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de eerdere termijn en stelt een nieuwe termijn van maximaal twintig weken voor het besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.