ECLI:NL:RVS:2025:4712
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en vervanging beslistermijn machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en Gezinsherenigingsrichtlijn
Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had eerder een beslistermijn van 90 dagen opgelegd, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met de strekking van artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en niet voldoet aan de rechtsbescherming die het recht in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt te bieden. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover zij de minister opdroeg vóór 30 mei 2025 een besluit te nemen.
De Afdeling vervangt de termijn door een variabele beslistermijn: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, acht weken indien de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, zestien weken bij nader onderzoek, en twintig weken indien beide van toepassing zijn. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €907,00 aan appellanten.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een adequate en proportionele beslistermijn die aansluit bij de complexiteit van de zaak en de verplichtingen uit Europese richtlijnen, en corrigeert daarmee een te strikte termijn die onvoldoende rechtsbescherming bood.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de beslistermijn van 90 dagen en stelt een variabele termijnregeling vast voor het besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.