ECLI:NL:RVS:2025:4713
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit en vaststelling nieuwe termijn voor besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde een termijn van 90 dagen vast waarbinnen de minister een besluit moest nemen.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze termijnstelling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de door de rechtbank opgelegde termijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming die de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het de termijn van 29 september 2026 bepaalde en stelde nieuwe, flexibele termijnen vast afhankelijk van de omstandigheden, variërend van vier tot twintig weken na verzending van het vonnis van de rechtbank. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de termijn van 90 dagen en stelt nieuwe flexibele termijnen vast voor het besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.