ECLI:NL:RVS:2025:4716
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank Den Haag had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen een termijn van 90 dagen een besluit te nemen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarom vernietigt de Afdeling het vonnis voor zover het de termijn van 30 juli 2026 oplegt.
In plaats daarvan stelt de Afdeling nieuwe termijnen vast: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, met mogelijke verlenging tot acht, zestien of twintig weken afhankelijk van of de minister herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de termijn voor het nemen van het besluit wordt vervangen door een nieuwe, kortere termijn met mogelijke verlengingen.