ECLI:NL:RVS:2025:4718
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en vervanging termijn besluit machtiging voorlopig verblijf
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de minister voor 30 juni 2025 een besluit moest nemen.
Appellant stelde hoger beroep in en klaagde terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn van 90 dagen hanteerde, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling nam volgens het 'first in, first out'-principe. De Afdeling oordeelde dat deze termijn in strijd is met de strekking van artikel 8:55d van de Awb en onvoldoende rechtsbescherming biedt volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak dat de minister een termijn tot 30 juni 2025 gaf en stelde nieuwe termijnen vast afhankelijk van de omstandigheden, variërend van vier tot twintig weken. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de termijn voor het nemen van het besluit wordt vervangen door nieuwe termijnen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.