ECLI:NL:RVS:2025:4733
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en richtlijn
Appellant stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had op 7 mei 2025 het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister voor 30 januari 2027 alsnog een besluit moest nemen.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze termijnstelling. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de door de rechtbank opgelegde termijn van 90 dagen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe, in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming van artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis voor zover het de termijn betrof en stelde nieuwe termijnen vast: vier weken na verzending van het vonnis, acht weken bij herstel van verzuimen, zestien weken bij nader onderzoek, en twintig weken bij combinatie van beide. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de termijn van 90 dagen en stelt nieuwe termijnen vast voor het nemen van een besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.