ECLI:NL:RVS:2025:4734
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en Gezinsherenigingsrichtlijn
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had eerder het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen 90 dagen een besluit te nemen, gerekend vanaf het moment dat de aanvraag inhoudelijk werd behandeld volgens het 'first in, first out'-principe.
De Raad van State oordeelt dat deze termijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het recht zoals neergelegd in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de minister een termijn tot 30 juni 2026 oplegde.
In plaats daarvan stelt de Raad van State nieuwe termijnen vast: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, met verlengingen tot acht, zestien of twintig weken afhankelijk van of de minister herstel van verzuimen aanbiedt, nader onderzoek verricht of beide. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de termijn van 90 dagen en stelt nieuwe termijnen voor het besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf.