ECLI:NL:RVS:2025:4741

Raad van State

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
3 oktober 2025
Zaaknummer
202502019/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 5 lid 4 Gezinsherenigingsrichtlijn
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en vervanging beslistermijn machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en richtlijn

Appellant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had op 11 maart 2025 het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen 90 dagen een besluit te nemen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling nam volgens het 'first in, first out'-principe.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de door de rechtbank opgelegde beslistermijn van 90 dagen niet strookt met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en onvoldoende rechtsbescherming biedt conform artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak dat de minister een termijn van 29 september 2025 oplegde en verving deze door een flexibele termijn die varieert van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt.

Daarnaast veroordeelde de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant, vastgesteld op €907,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer en uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en vervangt de beslistermijn door een flexibele termijn van vier tot twintig weken.

Uitspraak

202502019/1/V1.
Datum uitspraak: 3 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 maart 2025 in zaak nr. NL24.52067 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 11 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister voor 29 september 2025 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N.M. Weteling, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Appellant klaagt in de enige grief terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn heeft opgelegd van 90 dagen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag volgens het ‘first in, first out’-principe inhoudelijk in behandeling neemt. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 11 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4361, onder 4.3, is zo’n beslistermijn in strijd met de strekking van artikel 8:55d van de Awb en biedt deze niet de beoogde rechtsbescherming van het recht in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister heeft opgedragen om voor 29 september 2025 alsnog een besluit bekend te maken. De Afdeling zal dit vervangen door een nadere termijn van vier weken na de dag van verzending van de uitspraak van de rechtbank, door acht weken als de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 11 maart 2025 in zaak nr. NL24.52067, voor zover zij de minister van Asiel en Migratie heeft opgedragen om voor 29 september 2025 alsnog een besluit bekend te maken;
III.      vervangt de termijn in die uitspraak door vier weken na verzending van die uitspraak, door acht weken als de minister van Asiel en Migratie gelegenheid tot herstel van verzuimen aanbiedt, door zestien weken als zij nader onderzoek aanbiedt en door twintig weken als zij zowel gelegenheid tot herstel van verzuimen als nader onderzoek aanbiedt;
IV.     veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2025
977