ECLI:NL:RVS:2025:4761
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en bepaalde een beslistermijn van 90 dagen vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze beslistermijn in strijd is met artikel 8:55d van de Awb en de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat deze niet de beoogde rechtsbescherming biedt. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze een termijn tot 30 november 2026 oplegde.
De Afdeling stelt nieuwe termijnen vast afhankelijk van de omstandigheden: vier weken na verzending van de uitspraak, acht weken bij herstel van verzuimen, zestien weken bij nader onderzoek en twintig weken bij combinatie van beide. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €907,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de termijn voor het nemen van het besluit wordt vervangen door nieuwe termijnen variërend van vier tot twintig weken.