AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning na motiveringsgebrek
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 augustus 2022 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De minister verklaarde het bezwaar van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 11 september 2024 ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 19 december 2024 dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en vernietigde het, met de opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het motiveringsgebrek dat de rechtbank constateerde kan eenvoudig worden hersteld.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling en het griffierecht werd vastgesteld. De uitspraak werd op 12 februari 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 vanPro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 19 december 2024 in zaak nr. 24/14228 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 11 september 2024 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N.B. Swart, advocaat in Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig laat herstellen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.