ECLI:NL:RVS:2025:4784
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en richtlijn
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had eerder een beslistermijn van 90 dagen opgelegd, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat deze termijn in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming die het recht in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn beoogt. Daarom wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover zij de minister heeft opgedragen voor 30 mei 2026 een besluit te nemen.
De Afdeling stelt nieuwe termijnen vast: vier weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank, met verlengingen tot maximaal twintig weken afhankelijk van herstel van verzuimen en nader onderzoek door de minister. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de eerdere termijn en stelt nieuwe beslistermijnen vast, met veroordeling van de minister tot proceskostenvergoeding.