ECLI:NL:RVS:2025:4795
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging termijnbesluit machtiging voorlopig verblijf wegens strijd met Awb en richtlijn
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen uiterlijk 29 september 2026 een besluit te nemen. Appellant ging in hoger beroep tegen deze termijnstelling.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de door de rechtbank opgelegde termijn van 90 dagen, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe, in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en niet voldoet aan de rechtsbescherming zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het de termijn betreft en vervangt deze door een flexibele termijn die varieert van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de termijn van 90 dagen en stelt nieuwe flexibele termijnen vast voor besluitvorming over de machtiging tot voorlopig verblijf.