ECLI:NL:RVS:2025:4822
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen voor 1 april 2026 alsnog een besluit te nemen.
In hoger beroep klaagden appellanten terecht dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn van 90 dagen hanteerde, wat in strijd is met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en het recht op tijdige beslissing volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt daarom het opgelegde termijnbesluit.
De Afdeling vervangt de termijn door een flexibele regeling: vier weken na verzending van de uitspraak, met verlengingen tot twintig weken afhankelijk van herstel van verzuimen en nader onderzoek door de minister. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de termijn voor het nemen van het besluit wordt vervangen door een flexibele regeling met kortere termijnen.