ECLI:NL:RVS:2025:4839

Raad van State

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
9 oktober 2025
Zaaknummer
202407135/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 29 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering relatie als asielmotief

Appellant, een Iraanse nationaliteit dragende persoon, diende een opvolgende asielaanvraag in met als nieuw asielmotief zijn relatie met een Iraanse vrouw die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bezit. De staatssecretaris wees de aanvraag af en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het asielmotief te laat en onvoldoende concreet was aangevoerd.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij de relatie als asielmotief wel degelijk in de bestuurlijke fase had aangevoerd, onder meer via het kennisgevingsformulier en zijn zienswijze op het voornemen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat er geen sprake was van een achtergehouden asielmotief en dat de rechtbank ten onrechte het asielmotief niet inhoudelijk had onderzocht.

De Afdeling stelde vast dat de minister de relatie ten onrechte slechts als een beroep op artikel 8 EVRM Pro had aangemerkt en niet als zelfstandig asielmotief, waardoor het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep en het beroep gegrond, vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en het beroep en hoger beroep worden gegrond verklaard.

Uitspraak

202407135/1/V2.
Datum uitspraak: 9 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2024 in zaak nr. NL24.34439 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K. Mohasselzadeh, advocaat in Voorburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.       Appellant is geboren op […] 1990 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 20 april 2022 heeft hij met een kennisgevingsformulier, model M35-O, een opvolgende asielaanvraag ingediend. Appellant stelt dat hij een relatie heeft met een Iraanse vrouw die een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Volgens appellant verrichten zij samen politieke en religieuze activiteiten en hij stelt dat hij vanwege die activiteiten te vrezen heeft voor vervolging in Iran.
De uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft overwogen dat appellant verwijtbaar pas in de beroepsfase de relatie met de Iraanse vrouw als asielmotief heeft aangevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit een achtergehouden asielmotief is waar zij niet inhoudelijk op hoeft in te gaan. De inhoudelijke behandeling hiervan is immers niet mogelijk zonder ontoelaatbare vertraging voor de afdoening van deze zaak. Ook zijn er volgens de rechtbank maar beperkt feitelijke gegevens beschikbaar over de relatie, omdat appellant dit asielmotief, zowel in de bestuurlijke als de beroepsfase, niet concreet heeft aangevoerd.
Hoger beroep
3.       In de eerste grief klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een achtergehouden asielmotief. Appellant betoogt dat hij in de bestuurlijke fase de relatie als asielmotief naar voren heeft gebracht, doordat hij al op het kennisgevingsformulier en in zijn zienswijze op het voornemen dit asielmotief kenbaar heeft gemaakt.
3.1.    In de uitspraak van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073, staat dat onder een achtergehouden asielmotief moet worden verstaan: een reden om te vragen om asielrechtelijke bescherming die is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dateren van vóór het besluit van de minister op de aanvraag en die een vreemdeling, hoewel deze bij hem bekend waren, verwijtbaar niet al in de bestuurlijke fase kenbaar maakte (onder 1). Als er een asielmotief voor het eerst in de beroepsfase wordt aangevoerd, moet de rechtbank bepalen of zijzelf én de minister dit asielmotief ook echt binnen de kaders van het beroep kunnen onderzoeken (onder 7). Dit moet zij doen door aan de hand van het nationale procesrecht de tijdigheid van de indiening te beoordelen en door te bezien of het asielmotief voldoende concreet is om in beroep naar behoren te kunnen worden onderzocht (onder 7.1). Het maakt niet uit of een asielmotief wordt aangevoerd in een eerste of een opvolgende aanvraag (onder 11).
3.2.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betoogt appellant terecht dat hij al in de bestuurlijke fase de relatie als asielmotief heeft aangevoerd. Hij heeft namelijk op het kennisgevingsformulier aangekruist dat er sprake is van een gebeurtenis die hij niet eerder naar voren heeft gebracht. De daarbij op het kennisgevingsformulier door hem gegeven toelichting is dat hij een relatie heeft met een landgenoot die als vluchteling is toegelaten met een a-status. Op de vraag waarom deze gebeurtenis voor hem reden is om opnieuw asiel aan te vragen, heeft hij op het kennisgevingsformulier ingevuld dat hij bij terugkeer naar Iran de relatie niet kan voortzetten en hij door de politieke activiteiten van zijn partner gevaar loopt.
3.3.    Verder betoogt appellant terecht dat hij in zijn zienswijze op het voornemen heeft uiteengezet dat de minister onzorgvuldig is geweest door de relatie niet aan te merken als een asielmotief, maar alleen als een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij merkt hij op dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Iran vanwege de relatie en de activiteiten die hij samen met zijn partner heeft ondernomen.
3.4.    Gelet op het voormelde kan de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat appellant eerst in beroep de relatie als asielmotief concreet heeft aangevoerd, niet onderschrijven. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het asielmotief niet goed kan worden beoordeeld zonder nader onderzoek, omdat appellant zowel in de bestuurlijke als de beroepsfase de relatie niet concreet heeft aangevoerd. De situatie als bedoeld in de onder 3.1 genoemde uitspraak van 3 juli 2019, is hier niet aan de orde. Van een achtergehouden asielmotief is namelijk geen sprake.
3.5.    De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep
4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep.
Beroep
5.       Appellant betoogt terecht dat de minister ten onrechte de relatie slechts heeft aangemerkt als een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM en niet ook als afzonderlijk asielmotief. Zoals uiteengezet onder 3.2 en 3.3 heeft appellant de minister op het kennisgevingsformulier en in zijn zienswijze op het voornemen hierop gewezen. Hoewel de minister van deze relatie gewag heeft gemaakt in het besluit van 28 augustus 2024, is een inhoudelijke reactie op deze relatie als asielmotief achterwege gebleven. De minister heeft over de relatie ten onrechte volstaan met de reactie dat zij alleen bij een eerste aanvraag ambtshalve beoordeelt of er beschermenswaardig familieleven is in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Hiermee heeft de minister ten onrechte de relatie niet aangemerkt als een asielmotief en is daarom het besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Dit betoog slaagt en alleen al hierom is het beroep gegrond.
Conclusie beroep
6.       Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 28 augustus 2024. Het is niet nodig wat appellant verder in beroep heeft aangevoerd te bespreken. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2024 in zaak nr. NL24.34439;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 28 augustus 2024, V-[...];
V.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2025
853