ECLI:NL:RVS:2025:485
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid grensdetentie ondanks tekortkoming informatieplicht
Bij besluit van 1 april 2024 legde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de maatregel op en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat artikel 55, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 onvoldoende grondslag biedt voor het zonder toestemming onderzoeken van mobiele telefoons. Echter, de Afdeling verwierp het oordeel van de rechtbank dat dit onderzoek de grensdetentie onrechtmatig maakte. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en beoordeelde het beroep zelf.
De vreemdeling stelde dat de minister niet had voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000, maar de Afdeling concludeerde dat ondanks het ontbreken van schriftelijke informatie in een begrijpelijke taal, de vreemdeling mondeling in het Engels was geïnformeerd en de inhoud met behulp van een tolk was toegelicht. Hierdoor was de vreemdeling in staat effectief rechtsmiddelen in te stellen. De Afdeling zag geen onrechtmatigheid en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.