ECLI:NL:RVS:2025:4944
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inzage persoonsgegevens gemeente Den Haag wegens onzorgvuldigheid
Appellant verzocht op 17 november 2020 inzage in alle persoonsgegevens die de gemeente Den Haag over hem verwerkt. Het college meldde bij besluit van 22 maart 2021 dat geen persoonsgegevens over appellant bekend waren in de gemeentelijke systemen. Dit besluit werd op 12 mei 2021 gehandhaafd. Appellant stelde dat het college niet goed had gezocht, omdat bij een later verzoek van 1 januari 2022 wel persoonsgegevens werden verstrekt die ook betrekking hadden op de periode van het eerste verzoek.
De rechtbank oordeelde dat het college het besluit van 12 mei 2021 op goede gronden had genomen, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelde tijdens hoger beroep vast dat het college onzorgvuldig had gehandeld door niet alle relevante persoonsgegevens te verstrekken bij het eerste besluit. Hierdoor was het besluit van 12 mei 2021 onzorgvuldig tot stand gekomen.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 12 mei 2021 wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, met een termijn tot uiterlijk 1 januari 2026. Proceskosten werden niet toegekend omdat appellant reeds in een andere procedure een vergoeding had ontvangen.
Uitkomst: Het besluit van 12 mei 2021 wordt vernietigd wegens onzorgvuldigheid en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.