ECLI:NL:RVS:2025:4978
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige inbewaringstelling wegens ontbrekende geldige machtiging tot binnentreden
Appellant, met de Syrische nationaliteit, werd op 19 juni 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze inbewaringstelling ongegrond, ondanks dat de machtiging tot binnentreden pas na het binnentreden was afgegeven. De rechtbank vond dat het gebrek niet onrechtmatig was omdat de belangen van de minister zwaarder wogen.
In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden door een nieuw standpunt van de minister niet aan hem voor te leggen. Tevens voerde appellant aan dat het ontbreken van een geldige machtiging ten tijde van het binnentreden een ernstig gebrek vormde dat niet kon worden gerechtvaardigd door de latere afgifte van de machtiging of de overdracht aan Bulgarije.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank het hoor en wederhoor had geschonden en dat de belangenafweging onjuist was. De schriftelijke machtiging moet voorafgaand aan het binnentreden zijn afgegeven. De bewaring was daarom vanaf het begin onrechtmatig. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en aan appellant een schadevergoeding toegekend. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De inbewaringstelling was onrechtmatig wegens het ontbreken van een voorafgaande geldige machtiging tot binnentreden en appellant krijgt een schadevergoeding toegekend.