ECLI:NL:RBDHA:2025:11861

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juli 2025
Publicatiedatum
4 juli 2025
Zaaknummer
NL25.27876
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000Algemene wet op het binnentredenBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens gebrek in machtiging tot binnentreden ongegrond verklaard

Eiser, een Syrische vreemdeling, werd op 19 juni 2025 in bewaring gesteld door verweerder, de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde dat de machtiging tot binnentreden niet tijdig was ondertekend en dat er gebreken waren in het voortraject, waaronder het niet kenbaar maken van identiteit en doel door verbalisanten. De rechtbank constateerde dat de machtiging tot binnentreden inderdaad pas na het binnentreden was ondertekend, wat een formeel gebrek vormt.

Desondanks oordeelde de rechtbank dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat de belangen van verweerder, waaronder de korte termijn overdracht van eiser aan Bulgarije, zwaarder wogen dan de formele tekortkoming. Eiser kon niet aantonen dat hij in zijn belangen was geschaad. Daarnaast was eiser binnen twee weken overgedragen aan Bulgarije, waar hij internationale bescherming geniet.

De rechtbank wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Wel veroordeelde zij verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser aan diens rechtsbijstandverlener, vastgesteld op €1.814. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 4 juli 2025 en is openbaar gemaakt.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27876

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, omdat hij voorafgaand aan de zitting op 2 juli 2025 per vliegtuig is overgedragen aan Bulgarije. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Syrische nationaliteit te hebben.
Machtiging tot binnentreden
2. Eiser voert aan dat niet in overeenstemming met de Awbi [2] is binnengetreden in zijn kamer. De handtekening onder de machtiging tot binnentreden kan niet geverifieerd worden, waardoor niet duidelijk is of deze is getekend voorafgaand aan het binnentreden. Daarnaast blijkt uit het verslag van het binnentreden niet dat de verbalisanten aan eiser kenbaar hebben gemaakt wie zij zijn en wat het doel was van hun komst. Verder had verbalisant [verbalisant] zich dienen te legitimeren omdat de machtiging aan haar is afgegeven, maar in het formulier M105 wordt een andere verbalisant genoemd.
3. Uit het formulier M105 blijkt verbalisant [verbalisant] tezamen met andere verbalisanten op 19 juni 2025 om 7:14 uur voor kamer [nummer 1] van gebouw [nummer 2] van het AZC Ter Apel stonden om deze te betreden. Daarnaast is beschreven dat verbalisant [verbalisant] het proces-verbaal van binnentreden heeft opgemaakt en dat verbalisant [verbalisant] , na het binnentreden, eiser heeft overgedragen aan verbalisant 1 ( [verbalisant 1] ). Verder blijkt uit het formulier M105 dat verbalisant 1 zich gelegitimeerd heeft en het doel van zijn komst bekend heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze gang van zaken geen blijk van een gebrek.
4. Ten aanzien van de machtiging tot binnentreden is gebleken dat deze op een later tijdstip is ondertekend dan is binnengetreden in de kamer van eiser. Dit betekent dat op het moment van binnentreden geen sprake was van een geldige machtiging tot binnentreden. Dit is eveneens een gebrek.
5. Zoals uit jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt, maakt een gebrek in het voortraject de daaropvolgende inbewaringstelling pas onrechtmatig indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. [4] Daarnaast volgt uit jurisprudentie van de Afdeling dat van zwaarwegende belangen aan de kant van verweerder sprake kan zijn indien de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht. [5]
6. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verweerder uitvalt. Daarbij betrekt de rechtbank dat het de bedoeling was om een machtiging tot binnentreden op te maken en dat deze uiteindelijk ook is afgegeven. Ook heeft eiser niet toegelicht hoe hij in zijn belangen is geschaad. Daarnaast is eiser binnen twee weken na de inbewaringstelling overgedragen aan Bulgarije. Het gebrek in het voortraject maakt de bewaring in dit geval daarom niet onrechtmatig.
Maatregel van bewaring
7. Uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Bulgarije. Verder volgt uit de maatregel dat de voor de terugkeer naar Bulgarije noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat verweerder op grond van artikel 59,
tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd. [6]
Ambtshalve toets
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Gelet op het geconstateerde gebrek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet op het binnentreden.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2004:AS4591.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.