ECLI:NL:RVS:2025:499
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 12 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvragen van vijf vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdelingen bezwaar, dat op 17 januari 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep tegen deze besluiten eveneens ongegrond op 30 oktober 2024.
De vreemdelingen en hun referent gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen zonder nadere toelichting, omdat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming relevant zijn.
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond, bevestigt het vonnis van de rechtbank en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. Hiermee blijft de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.