ECLI:NL:RVS:2025:4990
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit machtiging voorlopig verblijf
Betrokkenen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en stelde een beslistermijn van 90 dagen vast, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe.
In hoger beroep klaagt appellant terecht dat deze termijn niet strookt met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en het recht op tijdige beslissing volgens de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover deze de minister een termijn tot 30 januari 2026 oplegde.
De Afdeling vervangt de termijn door een flexibele regeling: vier weken na verzending van het vonnis, met verlenging tot acht, zestien of twintig weken afhankelijk van of de minister herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 907,00 aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en nieuwe termijnen voor besluitvorming gesteld.