ECLI:NL:RVS:2025:5009
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om een machtiging voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en stelde een beslistermijn van 90 dagen vast, te rekenen vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling nam.
Appellant ging tegen deze uitspraak in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de door de rechtbank opgelegde beslistermijn in strijd is met de strekking van artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht en onvoldoende rechtsbescherming biedt conform de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het een vaste beslistermijn oplegde en verving deze door flexibele termijnen, afhankelijk van de omstandigheden zoals herstel van verzuimen en nader onderzoek. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een adequate en flexibele termijnstelling bij niet tijdige besluitvorming in vreemdelingenzaken, waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de procedure en de rechten van de aanvrager.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vaste beslistermijn van de rechtbank wordt vervangen door flexibele termijnen, met proceskostenvergoeding aan appellant.