202505141/1/V3.
Datum uitspraak: 20 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 september 2025 in zaak nr. NL25.42699 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 18 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Jankie, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdelingenrechter het strafrechtelijk voortraject van de bewaring niet mag toetsen. Dit betoog faalt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Alleen als de onrechtmatigheid van de aanwending van zodanige bevoegdheden door een daartoe bevoegde rechter is vastgesteld, kan de vreemdelingenrechter zich gesteld zien voor de vraag naar de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de inbewaringstelling (uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190). Daarvan is in dit geval geen sprake. Anders dan appellant betoogt, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, niet dat de ambtshalve toetsing in bewaringszaken zover gaat dat de bewaringsrechter ook buiten de grenzen van het geding mag treden door de rechtmatigheid van het strafrechtelijk voortraject te toetsen (uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5). De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit anders is als de strafrechter daartoe, zoals door appellant gesteld, wettelijk niet bevoegd is. In dat geval kan appellant zich namelijk wenden tot de burgerlijke rechter. 1.1. Wat appellant in zijn overige grieven heeft aangevoerd, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Appellant heeft verzocht om prejudiciële vragen te stellen over de toetsing van het strafrechtelijk voortraject door de bewaringsrechter, als de strafrechter daartoe wettelijk niet bevoegd is. Uit de overweging onder 1 volgt echter dat beantwoording van de door de appellant opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025
1017