ECLI:NL:RVS:2025:5025
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie bij besluit van 22 januari 2025 is afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep bij uitspraak van 7 oktober 2025 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en een voorlopige voorziening verzocht.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld en geoordeeld dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is bepaald dat verzoeker opvang en verstrekkingen krijgt gedurende deze periode. De minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, specifiek een bedrag van €907,00 aan rechtsbijstandskosten.
De uitspraak is gedaan op 22 oktober 2025 door voorzieningenrechter J.H. van Breda, in aanwezigheid van griffier K. Veen. De beslissing is genomen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij eerdere jurisprudentie van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:457) is betrokken.
Deze voorlopige voorziening waarborgt de rechtspositie van verzoeker gedurende de procedure en voorkomt onherstelbare schade door uitzetting voorafgaand aan de definitieve uitspraak in hoger beroep.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.