ECLI:NL:RVS:2025:5038

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2025
Publicatiedatum
21 oktober 2025
Zaaknummer
BRS.25.000499
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3.37d, eerste lid, VV 2000Algemene wet bestuursrecht, Art. 8:54Vreemdelingenbesluit 2000Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf C2/3.4
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende beoordeling binnenlands beschermingsalternatief

Appellant, een Congolese vrouw afkomstig uit Zuid-Kivu en behorend tot de Banyamulenge, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij aannam dat er een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa bestond.

Appellant stelde in hoger beroep dat de minister en rechtbank onvoldoende hadden beoordeeld of zij zich redelijkerwijs in Kinshasa kon vestigen, mede gelet op haar positie als alleenstaande vrouw en het ontbreken van een sociale omgeving van haar bevolkingsgroep. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank ten onrechte niet had meegewogen of appellant zich daadwerkelijk in Kinshasa kon vestigen, terwijl dit een vereiste is voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief.

De Afdeling vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beval de minister een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd vanwege onvoldoende beoordeling van het binnenlands beschermingsalternatief.

Uitspraak

BRS.25.000499
Datum uitspraak: 23 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 april 2025 in zaak nr. NL23.24649 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2023, aangevuld bij besluit van 4 oktober 2023, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 28 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.A.E. Engelen, advocaat in Voerendaal, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Congolese nationaliteit. Ze is afkomstig uit de provincie Zuid-Kivu en behoort tot de Banyamulenge (ook wel: Umumyamelenge). Volgens het landenbeleid van de minister doet zich in Zuid-Kivu de situatie voor van een gewapend conflict dat willekeurig geweld meebrengt en waarbij personen alleen al door hun aanwezigheid in dat gebied een reëel risico lopen op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. De minister vindt het daarom aannemelijk dat appellant niet terug kan keren naar Zuid-Kivu. Ze heeft zich echter op het standpunt gesteld dat er voor appellant een binnenlands beschermingsalternatief is in Kinshasa.
2.        De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet ten onrechte aan appellant een binnenlands beschermingsalternatief in Kinshasa heeft tegengeworpen. De minister heeft zich volgens de rechtbank deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daar een persoonlijke vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank heeft overwogen dat de kans groot is dat appellant, als alleenstaande vrouw, in Kinshasa een hard leven tegemoet gaat, maar dat dit onvoldoende is om het binnenlands beschermingsalternatief niet te kunnen tegenwerpen.
3.        Appellant klaagt over dat oordeel. Ze betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet heeft beoordeeld of van haar redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich in Kinshasa vestigt. Ze verwijst naar informatie uit openbaar toegankelijke bronnen waarnaar zij in beroep heeft verwezen. Daaruit volgt volgens haar dat alleenstaande vrouwen in Kinshasa in een slechte positie verkeren en dat er weinig andere Banyamulenge zijn om aansluiting bij te zoeken.
3.1.        Dit betoog slaagt. De rechtbank gaat er met de minister aan voorbij dat voor de vraag of een binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen niet alleen relevant is of appellant in Kinshasa niet hoeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade, maar ook of van haar redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij zich in Kinshasa vestigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805, onder 3.2, mag de minister een binnenlands beschermingsalternatief namelijk tegenwerpen als aan drie vereisten is voldaan. Een vreemdeling mag in het binnenlands beschermingsalternatief geen gegronde vrees voor vervolging hebben en geen reëel risico lopen op ernstige schade. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt (artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000, en paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000).
3.2.        De rechtbank heeft niet onderkend dat de minister niet heeft beoordeeld of redelijkerwijs van appellant kan worden verwacht dat zij zich in Kinshasa vestigt. De rechtbank heeft in navolging van de minister ten onrechte verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3032, en van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3523. Bepalend is in dit geval namelijk niet of vrouwen in de Democratische Republiek Congo een groep vormen die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandeling, maar of de minister redelijkerwijs van appellant mag verwachten dat zij zich in Kinshasa vestigt. De minister moet beoordelen of appellant in Kinshasa een leven kan leiden dat naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal kan worden aangemerkt. Daarbij moet zij onder andere rekening houden met de informatie uit openbaar toegankelijke bronnen waarnaar appellant in beroep heeft verwezen en waaruit de rechtbank heeft afgeleid dat de kans groot is dat appellant, als alleenstaande vrouw, in Kinshasa een hard leven tegemoet gaat.
3.3.        De grieven slagen.
4.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 23 augustus 2023, aangevuld bij besluit van 4 oktober 2023. De minister moet een nieuw besluit op de aanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 april 2025 in zaak nr. NL23.24649;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        vernietigt het besluit van 23 augustus 2023, aangevuld bij besluit van 4 oktober 2023, V-[...];
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025
1048-363