ECLI:NL:RVS:2025:5087
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over compensatie kinderopvangtoeslag en O/GS-tegemoetkoming
Appellante verzocht om compensatie van kinderopvangtoeslag over de jaren 2005, 2007 en 2010, maar de Dienst Toeslagen wees dit af wegens het ontbreken van fouten of institutioneel vooringenomen handelen. Na bezwaar en beroep werd dit besluit door rechtbank en Raad van State bevestigd.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of appellante recht had op een Opzet/Grove Schuld-tegemoetkoming (O/GS-tegemoetkoming) voor het jaar 2007, omdat zij stelde dat zij onterecht geen persoonlijke betalingsregeling kreeg. De rechtbank concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij een dergelijk verzoek had gedaan in de relevante periode tussen definitieve vaststelling en verrekening van de terugvordering. De Raad van State onderschreef dit oordeel en verwierp het betoog dat dossiers onvolledig waren of dat mondelinge verzoeken voldoende waren.
Verder oordeelde de Raad dat de kosten van de door appellante ingeschakelde accountant niet vergoed hoeven te worden, omdat deze niet direct verband hielden met de onderhavige procedure. Wel werd een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bestuursrechtelijke procedure, waarbij de Dienst Toeslagen en de Staat gezamenlijk een bedrag van € 500,- moeten betalen aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellante krijgt een beperkte immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.