ECLI:NL:RVS:2025:5257

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
3 november 2025
Zaaknummer
202404816/3/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening in asielzaak met betrekking tot verblijfsvergunning

Op 31 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 5 juni 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid was afgewezen. De rechtbank Den Haag had op 26 juli 2024 het beroep van verzoeker gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd, met de opdracht aan de minister om een nieuw besluit te nemen. De minister heeft echter hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

In de tussentijd heeft de minister op 27 augustus 2025 de aanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld, waarop verzoeker beroep heeft ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening heeft gedaan. De voorzieningenrechter heeft op 31 oktober 2025 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat er een beslissing is genomen op het hoger beroep. Dit besluit is genomen in het licht van een zitting die op 19 november 2025 zal plaatsvinden over het vestigingsalternatief Bamako in Mali, wat nader onderzoek vereist. De minister is tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die zijn vastgesteld op € 907,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.

Uitspraak

202404816/3/V2.
Datum uitspraak: 31 oktober 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 26 juli 2024 in zaak nr. NL24.23515 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3427, heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling het verzoek van de minister dat zij geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist, toegewezen.
Bij besluit van 27 augustus 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker buiten behandeling gesteld.
Verzoeker heeft hiertegen bij de rechtbank beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroepschrift en het verzoekschrift ter behandeling aan de Afdeling doorgezonden.
Overwegingen
1.       Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.       In het licht van de zitting die de Afdeling op 19 november 2025 zal houden over het vestigingsalternatief Bamako in Mali, vergt het hoger beroep nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.       veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Tibold
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2025
853-1024