ECLI:NL:RVS:2025:5507

Raad van State

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
BRS.25.000025
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2025. De rechtbank had geoordeeld dat de vrijheidsontnemende maatregel die op 22 november 2024 aan betrokkene was opgelegd, onrechtmatig was, omdat het Justitieel Complex Schiphol op dat moment geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was. De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.H. Bruggink, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van de rechtbank is vernietigd, en de Afdeling heeft geoordeeld dat de grensdetentie van betrokkene onrechtmatig was vanaf 9 januari 2025. Betrokkene heeft recht op schadevergoeding, die aan hem is toegekend, en de minister is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

BRS.25.000025
Datum uitspraak: 14 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2025 in zaak nr. NL24.50862 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 9 januari 2025 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de minister daartegen aanhangig gemaakte beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel tot en met 2 januari 2025, gegrond verklaard en de minister opgedragen appellant schadeloos te stellen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F.H. Bruggink, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Het hoger beroep van de minister
1.        De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van betrokkene tot 2 januari 2025 geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie tot die datum daarom onrechtmatig was. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.        De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
2.        Gelet op artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is geen incidenteel hoger beroep mogelijk in een grensdetentiezaak. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie over het hoger beroep
3.        Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Er zijn geen beroepsgronden die de rechtbank niet heeft besproken en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Ambtshalve toets
4.        Betrokkene heeft er tijdens de zitting bij de rechtbank op gewezen dat zijn asielberoep op 27 februari 2025 op een zitting zou worden behandeld. Dat is dertien weken en zes dagen nadat hij in grensdetentie is geplaatst. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925, onder 3.8, duurt grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in ieder geval te lang na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank had daarom in haar uitspraak tot de conclusie moeten komen dat de grensdetentie van betrokkene niet meer evenredig was, omdat deze geen enkel doel meer diende, aangezien de minister de grensdetentie hoe dan ook had moeten opheffen voor de zitting in de asielzaak. De grensdetentie was onrechtmatig vanaf 9 januari 2025, de dag waarop de rechtbank uitspraak deed. De Afdeling verwijst naar haar genoemde uitspraak van 1 juli 2025, onder 3.9 en 3.10.
5.        De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de grensdetentie vanaf een eerder moment dan 9 januari 2025 onrechtmatig te achten. Het beroep is gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Betrokkene heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan betrokkene toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
III.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2025 in zaak nr. NL24.50862;
IV.        verklaart het beroep gegrond;
V.        kent aan betrokkene een vergoeding toe van € 8.300,00 over de periode van 9 januari 2025 tot en met 1 april 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025
981