ECLI:NL:RVS:2025:5528
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en stelde een beslistermijn tot 30 juni 2025 vast. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze termijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte een beslistermijn van 90 dagen hanteerde, gerekend vanaf het moment dat de minister de aanvraag inhoudelijk in behandeling neemt volgens het 'first in, first out'-principe. Dit is in strijd met artikel 8:55d van de Awb en biedt onvoldoende rechtsbescherming in het kader van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
De Afdeling vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het de minister opdraagt voor 30 juni 2025 een besluit te nemen. In plaats daarvan stelt zij nieuwe termijnen vast, variërend van vier tot twintig weken, afhankelijk van of de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen en/of nader onderzoek aanbiedt.
Daarnaast veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellanten, vastgesteld op €907,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de beslistermijn wordt vervangen door nieuwe termijnen variërend van vier tot twintig weken.