202403273/1/A2.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats], in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarig kind [kind] ),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 mei 2024 in zaak nr. 23/5291 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2023 heeft de Dienst Toeslagen aan [kind] een tegemoetkoming toegekend van € 6.000,00.
Bij besluit van 28 juli 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 oktober 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Klinkhamer, advocaat in Den Haag, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) is een regeling opgenomen voor kinderen van gedupeerde ouders (hierna: de kindregeling). Op grond van de kindregeling komen kinderen van gedupeerde ouders onder meer in aanmerking voor een tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de leeftijd van het kind op 1 juli 2023. [kind] was toen veertien jaar. De Dienst Toeslagen heeft haar daarom op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wht een tegemoetkoming van € 6.000,00 toegekend. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Hoger beroep
2. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de forfaitaire tegemoetkoming van de kindregeling in dit geval geen recht doet aan de situatie van [kind]. Als gevolg van de toeslagenaffaire heeft [kind] veertien jaar in armoede en stress geleefd. Daarnaast heeft zij een laag zelfbeeld, een loopbeperking en een oogaandoening. Deze omstandigheden zijn volgens [appellante] het gevolg van de toeslagenaffaire. De Dienst Toeslagen had daarom moeten afwijken van het forfaitaire bedrag uit de Wht en aan haar dochter een tegemoetkoming van € 60.000,00 moeten toekennen.
3. De gronden die [appellante] aanvoert gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2996). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. Zoals ook uit die uitspraak volgt, heeft de wetgever uitdrukkelijk overwogen dat de kindregeling niet bedoeld is om schade van kinderen te compenseren, maar enkel als tegemoetkoming. Mocht de compensatie van een gedupeerde ouder niet dekkend zijn, dan kan de ouder voor de schade die het gezin heeft geleden een aanvraag doen bij de Commissie Werkelijke Schade. Zoals ook op de zitting is gebleken heeft [appellante] een dergelijk verzoek gedaan en daarbij heeft zij ook de materiële schade van [kind] opgegeven. Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat in de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade alleen wordt gekeken naar de immateriële schade van het kind, merkt de Afdeling op dat dit een afzonderlijke procedure betreft met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025
1064