ECLI:NL:RVS:2025:5550

Raad van State

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
202404598/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit verblijfsvergunning wegens ondeugdelijke motivering leeftijdsregistratie

Appellant, een Eritrese asielzoeker, betwistte de wijziging van haar geboortedatum door de minister van Justitie en Veiligheid van 2006 naar 2002. De minister baseerde zich op een leeftijdsschouw door de AVIM en een registratie in Italië. De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigt deze uitspraak en het besluit van de minister.

De Afdeling oordeelt dat de leeftijdsschouw van de AVIM onvoldoende zorgvuldig en concludent is gemotiveerd, omdat de observaties niet duidelijk verbonden zijn met de conclusie dat twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Hierdoor mocht de minister deze schouw niet betrekken bij haar standpunt.

Daarnaast heeft de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel onjuist toegepast door zonder nadere motivering uit te gaan van de Italiaanse leeftijdsregistratie. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom de door appellant overgelegde documenten niet aannemelijk maken dat zij in 2006 is geboren. De Afdeling vernietigt daarom het besluit en gebiedt de minister een nieuw besluit te nemen met een zorgvuldige beoordeling van de leeftijd van appellant.

Uitkomst: Het besluit van de minister om uit te gaan van de geboortedatum 2002 wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202404598/1/V1.
Datum uitspraak: 17 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 juni 2024 in zaak nr. NL23.23715 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij uitspraak van 25 juni 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. W. Volkers, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Appellant heeft de Eritrese nationaliteit. Zij heeft bij haar asielaanvraag verklaard dat zij op [geboortedatum] 2006 is geboren. De minister heeft de gestelde geboortedatum, en dus de minderjarigheid van betrokkene ten tijde van de aanvraag, niet geloofwaardig geacht. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (hierna: de AVIM) en de IND hebben afzonderlijk van elkaar een leeftijdsschouw uitgevoerd. De AVIM heeft geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd, de IND heeft geconcludeerd dat appellant evident minderjarig is. Omdat de uitkomsten van die schouwen van elkaar verschilden, heeft de minister navraag gedaan bij de Italiaanse autoriteiten. Daaruit bleek dat appellant in Italië staat geregistreerd met geboortedatum [geboortedatum] 2002. De minister is van die datum uitgegaan.
2.       Appellant klaagt in haar enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de wijziging van de geboortedatum ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Appellant betoogt dat de AVIM ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat door de schouw twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Deze motivering kan het onderzoek naar de leeftijd bij de Italiaanse autoriteiten dat na de schouw is gedaan volgens haar dan ook niet dragen. Ook betoogt zij dat de minister niet op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan van de door Italië geregistreerde geboortedatum. Verder heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd waarom appellant met de overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar geboortedatum [geboortedaum] 2006 is, aldus appellant.
Leeftijdsschouw van de AVIM
2.1.    In de uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, heeft de Afdeling onder 10 overwogen dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid daarover redelijk. Om in een individuele zaak tot een zorgvuldige schouw te komen, is het vervolgens van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en alle observaties tijdens het gehoor, bestaande uit uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen, in het verslag worden beschreven. De conclusies van de schouw moeten worden verbonden aan deze observaties. Alleen dan is een schouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. De Afdeling heeft in die uitspraak, onder 12.2, ook overwogen dat, als een van de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsschouw in die zaak geen bruikbaar middel is om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet twijfel bestaat over de verklaring van een vreemdeling dat hij minderjarig is. De Afdeling heeft verder onder 12.2 overwogen dat de minister in dat geval moet uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en dat het aan haar is om die te ontzenuwen.
2.2.    Twee medewerkers van de AVIM hebben appellant geschouwd. De medewerkers hebben onder meer vragen gesteld over de familie en herkomst van appellant en de reis naar Nederland. In het proces-verbaal van het gehoor door de AVIM heeft de AVIM in het kader van de leeftijdsschouw enkele lichamelijke kenmerken opgesomd. Er staat onder andere ‘Betrokkene heeft geen opvallende kraaienpoten/rimpels om de ogen.’ en ‘Betrokkene heeft wel geen duidelijk zichtbare groeven rond de mondhoeken. Betrokkene heeft wel geen grijze haren.’ Daarna hebben de schouwers het gedrag van appellant beschreven. Daar staat: ‘De vreemdeling antwoordt duidelijk en is zeker in haar doen en laten.’ en ‘De opgegeven leeftijd samen met haar gedrag doet ons twijfelen aan de door haar opgegeven leeftijd. Wij kunnen niet vaststellen of zij meer- of minderjarig is. Hierdoor ontstaat twijfel over de opgegeven leeftijd van de vreemdeling.’ Vervolgens staat er als conclusie: ‘op basis van bovenstaande verklaringen en signalen oordelen wij unaniem dat geconcludeerd kan worden dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd. Er zal verder onderzoek naar de leeftijd plaatsvinden.’
2.3.    Naar het oordeel van de Afdeling is de schouw van de AVIM in deze zaak onvoldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. In het proces-verbaal ontbreekt een verbinding tussen de observaties en de bevindingen en de conclusies die de AVIM daaruit trekt. De schouwers beschrijven summier het gedrag van appellant in het proces-verbaal, maar leggen vervolgens niet uit waarom dit gedrag typerend is voor een meerderjarige en waarom juist niet voor een minderjarige. Dat had wel gemoeten, omdat het niet voor zich spreekt dat duidelijk zijn in doen en laten reden is om te twijfelen aan minderjarigheid. De schouwers hebben geen lichamelijke kenmerken bij de conclusie betrokken. De Afdeling kan uit het verslag niet opmaken hoe de gedragingen hebben bijgedragen aan de conclusie dat twijfel bestaat over de leeftijd die appellant heeft opgegeven. Gelet op het voorgaande mocht de minister de leeftijdsschouw van de AVIM niet betrekken bij haar standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die appellant heeft opgegeven.
Leeftijdsregistratie in Italië
2.4.    Wat onder 2.3 is overwogen, neemt niet weg dat de minister met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van appellant, zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3991, onder 3.3. In de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9, heeft de Afdeling overwogen dat de minister niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dit betekent niet, zo staat in die uitspraak, dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. De minister moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie namelijk beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij in beginsel aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als de minister twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. De minister moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan de minister om dat vermoeden te ontzenuwen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet de minister ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken.
2.5.    Zoals onder 1 weergegeven, is de minister naar aanleiding van het nader onderzoek bij de Italiaanse autoriteiten uitgegaan van [geboortedatum] 2002 als geboortedatum van appellant, omdat zij met die geboortedatum in Italië staat geregistreerd. Maar de minister heeft slechts betrokken dat zij op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de in Italië opgegeven leeftijd. Hierbij heeft zij niet deugdelijk gemotiveerd welk gewicht zij aan de leeftijdsregistratie in Italië heeft toegekend en waarom zij daar gewicht aan heeft toegekend. De minister had voor het nemen van het besluit moeten nagaan waarop de Italiaanse autoriteiten de leeftijdsregistratie hebben gebaseerd. Dat heeft zij ten onrechte niet gedaan. Dat appellant op de zitting bij de rechtbank heeft bevestigd dat zij zelf in Italië heeft opgegeven dat zij is geboren op [geboortedatum] 2002, maakt dit niet anders. De wijze waarop de minister de leeftijdsregistratie in Italië heeft betrokken bij de beoordeling van de leeftijd van appellant, is dan ook niet in lijn met het kader dat de Afdeling heeft uiteengezet in de uitspraak van 9 oktober 2024. De minister is dan ook ten onrechte van de in Italië geregistreerde geboortedatum uitgegaan.
Overgelegde documenten
2.6.    Tot slot heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd waarom appellant met de overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar geboortedatum [geboortedatum] 2006 is. Hoewel appellant een fotokopie van een uittreksel van haar geboorteakte heeft overgelegd en de minister dit document niet op echtheid kan onderzoeken, betekent dit niet dat de minister dit document niet kan betrekken bij haar beoordeling. De andere documenten heeft de minister niet betrokken, omdat aan die documenten volgens haar alleen waarde toekomt in combinatie met de geboorteakte. De minister heeft daarom ondeugdelijk gemotiveerd dat zij de door appellant overgelegde documenten niet kan meewegen in haar beoordeling. De minister moest namelijk uitgaan van het vermoeden van minderjarigheid en zij had de overgelegde documenten moeten beoordelen in het licht van de vraag of dat vermoeden is weerlegd.
Conclusie
2.7.    Gelet op wat is overwogen onder 2.1 tot en met 2.6, klaagt appellant terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de wijziging van de geboortedatum ondeugdelijk heeft gemotiveerd.
2.8.    De grief slaagt.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 21 juli 2023, voor zover de minister daarin heeft vastgesteld dat appellant is geboren op [geboortedatum] 2002. De minister moet in zoverre een nieuw besluit op de aanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de minister de leeftijd van appellant nader moet beoordelen. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 juni 2024 in zaak nr. NL23.23715;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 21 juli 2023, V-[…], voor zover de minister van Asiel en Migratie daarin heeft vastgesteld dat appellant is geboren op [geboortedatum] 2002;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Zwemstra
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2025
91-1060