ECLI:NL:RVS:2025:5601

Raad van State

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
202500619/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beslissing college van bestuur Rijksuniversiteit Groningen over studievoortgang internationale studente

In deze zaak gaat het om een beroep van een internationale studente, hierna aangeduid als [appellante], tegen een beslissing van het college van bestuur (CvB) van de Rijksuniversiteit Groningen. Op 24 september 2024 heeft het CvB aan [appellante] meegedeeld dat zij niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis zoals vastgelegd in de Wet Modern Migratiebeleid (MoMi-norm). Deze norm vereist dat internationale studenten 50% van de nominale studielast behalen, wat voor [appellante] neerkomt op 30 ECTS per studiejaar. In het studiejaar 2023-2024 heeft zij echter slechts 10 ECTS behaald. Het CvB heeft de melding aan de IND gedaan omdat de MoMi-commissie concludeerde dat [appellante] geen verschoonbare reden heeft opgegeven voor het niet behalen van de norm.

Na een ongegrond verklaard bezwaar van [appellante] tegen deze beslissing, heeft zij beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 14 april 2025 heeft [appellante] haar standpunt toegelicht, waarbij zij aanvoerde dat persoonlijke omstandigheden, zoals ziekte en financiële problemen, haar studievoortgang negatief hebben beïnvloed. Het CvB heeft echter gesteld dat [appellante] deze omstandigheden niet tijdig heeft gemeld en dat zij bekend was met de vereisten voor het melden van persoonlijke omstandigheden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het CvB de melding aan de IND in stand kan houden, omdat [appellante] niet heeft voldaan aan de norm en geen bewijs heeft geleverd voor haar stellingen over bijzondere omstandigheden. De uitspraak bevestigt dat de verantwoordelijkheid voor het melden van persoonlijke omstandigheden bij de student ligt.

De Afdeling heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard en benadrukt dat zij altijd een verzoek om herinschrijving kan indienen, ongeacht de uitkomst van de melding aan de IND. De uitspraak is openbaar gedaan op 19 november 2025.

Uitspraak

202500619/1/A2.
Datum uitspraak: 19 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van bestuur van de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: het CvB),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 24 september 2024 heeft het CvB aan [appellante] meegedeeld dat aan de IND wordt gemeld dat zij gedurende het studiejaar 2023-2024 niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis en niet gebleken is van een hiervoor bestaande verschoonbare reden.
Bij beslissing van 19 december 2024 heeft het CvB het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.
[appellante] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2025, waar [appellante] en het CvB, vertegenwoordigd door mr. M.E. Wiltvank, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.       [appellante] is een internationale studente die sinds het studiejaar 2020-2021 de bacheloropleiding geneeskunde volgt aan de Rijksuniversiteit Groningen. Omdat zij een verblijfsvergunning heeft met als verblijfsdoel "studie" moet zij elk studiejaar voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (hierna: de MoMi-norm). Deze norm bedraagt 50% van de nominale last per studiejaar. Voor [appellante] geldt een norm van 30 ECTS per studiejaar. In studiejaar 2023-2024 heeft [appellante] 10 ECTS behaald.
3.       Aan de beslissing van 24 september 2024 heeft het CvB ten grondslag gelegd dat [appellante] onvoldoende studiepunten heeft gehaald om aan de MoMi-norm te voldoen. Omdat de MoMi-commissie heeft geconcludeerd dat [appellante] hiervoor geen verschoonbare reden heeft gegeven, heeft CvB aan haar medegedeeld dat de IND op de hoogte zou worden gesteld van het niet behalen van de MoMi-norm.
Bestreden beslissing
4.       Aan de beslissing van 19 december 2024, waarbij de beslissing van 24 september 2024 is gehandhaafd, heeft het CvB, onder overneming van het advies van de geschillenadviescommissie, ten grondslag gelegd dat de studieadviseur heeft toegelicht dat zij in het studiejaar 2023-2024 drie afspraken met [appellante] heeft gehad. Die afspraken hadden betrekking op de hoeveelheid behaalde studiepunten, de manier van studeren en de voortgang van de studie. De studieadviseur heeft uiteengezet dat zij bekend is met omstandigheden uit eerdere studiejaren, maar dat er geen persoonlijke omstandigheden bij haar bekend waren voor het studiejaar 2023-2024. In voorgaande jaren heeft [appellante] te maken gehad met ziekte en familieomstandigheden, waarvoor zij vrijstellingen heeft gekregen voor de studievoortgangseis. Gelet op de eerder verleende vrijstellingen had [appellante] bovendien moeten weten dat zij zo spoedig mogelijk melding had moeten maken van bijzondere omstandigheden in het betreffende studiejaar. Daarbij heeft zij geen bewijsmiddelen aangeleverd die haar stelling dat er bijzondere omstandigheden waren, ondersteunen.
Het beroep
5.       [appellante] betoogt dat het CvB vanwege haar persoonlijke omstandigheden had moeten afzien van melding bij de IND. De ziekte en familieomstandigheden die in de twee jaar daarvoor aanleiding zijn geweest om af te zien van de melding bij de IND, zijn ook tijdens het studiejaar 2023-2024 van invloed geweest op de voortgang van haar studie. Bovendien had zij tijdens dit studiejaar financiële en huisvestingsproblemen. [appellante] verkeerde in onzekerheid over de betaling van haar beurs en liep achterstanden op bij de betaling van haar woonruimte en collegegeld. Dit heeft haar veel stress gegeven. [appellante] voert tevens aan dat het CvB in de door haar aangevoerde omstandigheden bovendien aanleiding had moeten zien om op grond van de hardheidsclausule af te zien van het doen van melding aan de IND. [appellante] zal de toegang tot het onderwijs en haar financiële stabiliteit kwijtraken. Bovendien heeft zij in het studiejaar 2024-2025 reeds veel studiepunten behaald.
Beoordeling
5.1.    Vast staat dat [appellante] de norm van 30 ECTS tijdens het studiejaar 2023-2024 niet heeft behaald. Verder heeft zij de persoonlijke omstandigheden in het studiejaar 2023 2024 waar zij zich op beroept niet gemeld bij de drie contactmomenten die zij met de studieadviseur heeft gehad. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat het niet behalen van de MoMi-norm het gevolg is geweest van haar persoonlijke omstandigheden, is dit hierdoor niet meer vast te stellen. Daarmee heeft [appellante], die goed bekend is met de wijze waarop persoonlijke omstandigheden moeten worden gemeld, het CvB de mogelijkheid om die omstandigheden mee te wegen ontnomen. Dat komt voor haar risico.
5.2.    Dat betekent dat de melding van de MoMi-norm aan de IND in stand blijft.
5.3.    Overigens kan [appellante] altijd een verzoek om herinschrijving bij het CvB indienen. Als haar verblijfsvergunning niet is verlengd of is ingetrokken, is dat voor het CvB geen grond om herinschrijving af te wijzen (zie de uitspraak van 16 juli 2025; ECLI:NL:RVS:2025:3240, rechtsoverweging 8.1). In dat verband wijst de Afdeling erop dat [appellante] in het studiejaar 2024-2025 een groot aantal studiepunten heeft behaald en ruim voldoet aan de norm. De bachelorcoördinator heeft op 27 februari 2025 gerapporteerd dat [appellante] met volledige inzet en toewijding aan dit studiejaar is begonnen, zij goed presteert en nog steeds op schema ligt om haar bachelor voor 1 september 2025 te voltooien. Volgens de coördinator zal zij daarna worden toegelaten tot de masteropleiding, mits aan de toelatingscriteria is voldaan.
6.       Het beroep is ongegrond.
7.       Het CvB hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025
705-1159
Bijlage: wettelijk kader
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7:51
[…]
2. De bijzondere omstandigheden, bedoeld in het eerste lid zijn:
[…]
c. ziekte of zwangerschap en bevalling,
[…]
e. bijzondere familieomstandigheden,
[…]
g. overige door het instellingsbestuur vastgestelde bijzondere omstandigheden waarin een student verkeert,
h. andere dan de in de onderdelen a tot en met g bedoelde omstandigheden die, indien een daarop gebaseerd verzoek om financiële ondersteuning door het instellingsbestuur niet zou worden gehonoreerd, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Uitvoeringsbesluit WHW 2008
Artikel 2.1
1. De persoonlijke omstandigheden bedoeld in de artikelen 7.8b, derde lid, en 7.9, derde lid, van de wet, zijn:
a. ziekte van betrokkene,
[…]
d. bijzondere familie-omstandigheden,
[…]
i. andere dan in de onderdelen a tot en met h bedoelde persoonlijke omstandigheden die, indien zij door het instellingsbestuur niet in de beoordeling zouden worden betrokken, zouden leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
[…].
Vreemdelingenbesluit 2000
Artikel 3.87a
1. De aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met studie, kan in ieder geval op grond van artikel 18, eerste lid, onder f, van de Wet worden afgewezen, indien de houder daarvan:
[…]
b. niet overeenkomstig bij ministeriële regeling vastgestelde normen voldoende studievoortgang boekt.
Regeling normering studievoortgang vanwege verblijfsvergunning in verband met studie
Artikel 1
De norm voor voldoende studievoortgang, als bedoeld in artikel 3.87a, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000, is de norm zoals vastgelegd in artikel 5.5 van de Gedragscode internationale student hoger onderwijs.
Gedragscode internationale student hoger onderwijs
Artikel 6.5
De instelling stelt na afloop van ieder studiejaar de studievoortgang vast van de verblijfsvergunningplichtige student met uitzondering van de uitwisselingstudent. Er is sprake van voldoende studievoortgang als 50% (of meer) van de nominale studielast voor dat (deel van het) studiejaar is behaald. Voor het voorbereidend onderwijs en de premaster geldt dat de verblijfsvergunningplichtige student deze succesvol dient af te ronden.
Bij onvoldoende studievoortgang stelt de instelling de oorzaak hiervan vast, bijvoorbeeld door een studievoortganggesprek met een studieadviseur. De instelling beoordeelt, op basis van de door student overlegde bewijsstukken, of er sprake is van persoonlijke omstandigheden zoals bedoeld in artikel 7.51 WHW alsmede artikel 2.1 Uitvoeringsbesluit WHW, ten gevolge waarvan de student onvoldoende studievoortgang heeft geboekt.
Artikel 6.6
Indien blijkt dat de verblijfsvergunningplichtige student onvoldoende studiepunten heeft behaald wordt de verblijfsvergunningplichtige student binnen een maand afgemeld bij de IND. Wanneer de instelling vaststelt dat er sprake is van persoonlijke omstandigheden zoals in het artikel 6.5 is omschreven, kan de instelling beslissen de afmelding bij de IND achterwege te laten.
Dezelfde persoonlijke omstandigheid mag per referentieperiode slechts éénmalig worden toegepast om afmelding bij de IND achterwege te laten. Er worden afspraken met de internationale student gemaakt en vastgelegd om te voorkomen dat de student verdere vertraging oploopt en om te zorgen dat de student de voortgang boekt die noodzakelijk is om af te studeren. De instelling registreert deze situatie en het feit er geen afmelding bij de IND heeft plaatsgevonden in het dossier van de verblijfsvergunningplichtige student.
Zodra de instelling constateert dat de inschrijving aan de instelling door een verblijfsvergunningplichtige student is beëindigd, wordt dit gemeld bij de IND.