ECLI:NL:RVS:2025:5742

Raad van State

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
202401761/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over de vraag of de afsluitende brief van de minister van Financiën een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de Fraude Signalering Voorziening

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de Dienst Toeslagen tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De rechtbank had geoordeeld dat de afsluitende brief van de minister van Financiën, waarin werd medegedeeld dat een wederpartij niet in aanmerking komt voor een financiële vergoeding wegens een onrechtmatige registratie in de Fraude Signalering Voorziening (FSV), een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister had eerder aan de wederpartij laten weten dat haar persoonsgegevens in de FSV stonden en dat zij geen financiële tegemoetkoming zou ontvangen. De rechtbank verklaarde het bezwaar van de wederpartij gegrond en vernietigde het besluit van de minister, waarbij de minister werd opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De minister ging in hoger beroep, stellende dat de afsluitende brief enkel informatief was en geen rechtsgevolg had. Tijdens de zitting bij de Afdeling werd vastgesteld dat de minister het bevoegde bestuursorgaan was en dat het hoger beroep door de minister was overgenomen. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de afsluitende brief wel degelijk een besluit is in de zin van de Awb. De minister werd opgedragen om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen en de proceskosten werden aan de wederpartij vergoed.

Uitspraak

202401761/1/A2.
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Dienst Toeslagen
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2024 in zaak nr. 23/5346 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
de Dienst Toeslagen (minister van Financiën).
Procesverloop
Bij brief van 24 juni 2023 heeft de minister van Financiën (hierna: de minister) [wederpartij] medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een financiële vergoeding wegens een onrechtmatige registratie in de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV).
Bij besluit van 10 augustus 2023 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 9 februari 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 augustus 2023 vernietigd en de Dienst Toeslagen (de minister) opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft de Dienst Toeslagen (de minister) hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De minister en [wederpartij] hebben ieder een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 januari 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I.A. Huppertz en mr. R. Mahadew, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. C.L. Mens, advocaat in Hoofddorp, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Op de zitting bij de Afdeling is komen vast te staan dat de rechtbank per abuis de Dienst Toeslagen als bevoegd bestuursorgaan heeft aangemerkt en dat, als gevolg daarvan, de Dienst Toeslagen hoger beroep heeft ingesteld, terwijl de minister het bevoegde bestuursorgaan is. Tijdens de zitting is vastgesteld dat het hoger beroep door de minister is overgenomen.
Kern van de zaak
2.       Deze zaak gaat over de vraag of de zogenoemde afsluitende brief Fraude Signalering Voorziening (hierna: de afsluitende brief) een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De zaak is behandeld op een zitting van de Afdeling, waar meerdere zaken over de FSV aan de orde zijn geweest. De Afdeling heeft de minister in deze en soortgelijke zaken verzocht om algemene inlichtingen over de FSV en de financiële tegemoetkomingen die in dat kader worden verstrekt en heeft daarover ook met partijen op de zitting gesproken.
3.       Zie voor de achtergrond van de FSV de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730, onder 2 en 3.
FSV-registratie van [wederpartij]
4.       De minister heeft [wederpartij] op 14 juni 2023 per brief laten weten dat haar persoonsgegevens in de FSV stonden. Vervolgens heeft de minister op 24 juni 2023 de afsluitende brief aan [wederpartij] verzonden. Volgens die brief komt zij niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming, omdat haar FSV-registratie geen gevolgen heeft gehad bij de Belastingdienst, haar gegevens niet zijn gedeeld met andere organisaties en het niet gaat om bijzondere persoonsgegevens. Het daartegen gemaakte bezwaar is op 10 augustus 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de minister is de afsluitende brief enkel informatief van aard en dus geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen de afsluitende brief kan daarom geen bezwaar worden gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de afsluitende brief van 24 juni 2023 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, en dat het tegen dat besluit gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Volgens de rechtbank is de brief gericht op rechtsgevolg en is dit rechtsgevolg publiekrechtelijk van aard.
Hoger beroep
6.       De minister betoogt dat de rechtbank de brief van 24 juni 2023 ten onrechte heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De brief beoogt namelijk geen rechtsgevolg en is alleen informatief van aard. De feitelijke constatering dat de registratie van [wederpartij] in de FSV niet had mogen gebeuren en dat zij niet in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming, brengt geen wijziging in haar rechten en plichten met zich. Zij houdt onverkort het recht op inzage dan wel op het instellen van een civielrechtelijke procedure om schadevergoeding te verkrijgen. Ook is geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Er is volgens de minister geen publiekrechtelijke grondslag in regelgeving op grond waarvan de afsluitende brief is aan te merken als een besluit. Verder is er geen sprake van een bijzonder geval waardoor de brief toch moet worden aangemerkt als een besluit.
Beoordeling van het hoger beroep
7.       Niet in geschil is dat de registratie van de persoonsgegevens van [wederpartij] in de FSV onrechtmatig is. De minister heeft dit onder meer in de brief van 14 juni 2023 en tijdens de zitting van de Afdeling bevestigd. Deze zaak gaat verder over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord in haar uitspraak van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730. De Afdeling verwijst naar die uitspraak en het daarin opgenomen oordeel dat de afsluitende brief een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat de brief van 24 juni 2023 een besluit is. Het betoog slaagt niet.
Slotsom
8.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigd de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal de minister opdragen om binnen twaalf weken een nieuw - inhoudelijk - besluit op het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2023 te nemen.
9.       De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
10.     De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       draagt de minister van Financiën op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
III.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
IV.      veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
V.       bepaalt dat van de minister van Financiën een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. W. den Ouden en mr. J.M. Willems, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
452-1062