ECLI:NL:RVS:2025:2730
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat afsluitende brief Fraude Signalering Voorziening een besluit is
De zaak betreft de vraag of de afsluitende brief van de minister van Financiën aan personen die onrechtmatig in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) waren geregistreerd, een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De FSV was een systeem van de Belastingdienst dat van 2012 tot 2020 werd gebruikt om mogelijke belastingfraude te signaleren, maar de verwerking van persoonsgegevens daarin was onrechtmatig bevonden door onder meer de Autoriteit Persoonsgegevens.
De minister stuurde aan betrokkenen een brief waarin werd meegedeeld of zij in aanmerking kwamen voor een financiële tegemoetkoming. De minister stelde dat deze brief slechts informatief was en geen besluit, waardoor bezwaar en beroep niet mogelijk waren. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en het bezwaar niet-ontvankelijk.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief wel een besluit is omdat het een rechtsgevolg heeft, namelijk het afwijzen van een financiële tegemoetkoming. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het compensatiebeleid voor immateriële schade wegens AVG-schending een buitenwettelijk begunstigend beleid is en dat besluiten op basis daarvan wel besluiten in de zin van de Awb zijn.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en het niet-ontvankelijkheidsbesluit van de minister en droeg de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen met een deugdelijke motivering. Tevens werd bepaald dat tegen dat nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld en werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het eerdere besluit en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen.