ECLI:NL:RVS:2025:579
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 september 2024 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 december 2024 het beroep ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure liet de minister weten dat de vreemdeling met onbekende bestemming Nederland had verlaten. De gemachtigde van de vreemdeling gaf ondanks gelegenheid geen contact meer aan te hebben met de vreemdeling, waaruit de Afdeling concludeerde dat de vreemdeling geen bescherming meer in Nederland zoekt.
Gelet hierop oordeelde de Afdeling dat de vreemdeling geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het vonnis werd uitgesproken door lid van de enkelvoudige kamer C.M. Wissels op 17 februari 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.