ECLI:NL:RVS:2025:5795

Raad van State

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
202501191/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.J.M. Ristra-Peeters
  • J.R. Kraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, die op 24 februari 2025 een beroep van betrokkene gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende. De minister had op 29 januari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan betrokkene. De rechtbank oordeelde dat de detentie onrechtmatig was, omdat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is volgens de Opvangrichtlijn. De minister ging in hoger beroep, waarbij betrokkene werd vertegenwoordigd door mr. T. de Boer.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de zaak beoordeeld en geconcludeerd dat de minister terecht in beroep is gegaan. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat de minister de detentie van betrokkene niet onrechtmatig had opgelegd. Betrokkene had aangevoerd dat zijn grensdetentie onevenredig bezwarend was vanwege zijn medische omstandigheden en seksuele gerichtheid, maar de Afdeling oordeelde dat de minister niet eerder tot de conclusie had hoeven komen dat de detentie onrechtmatig was. Ook de argumenten over de detentieomstandigheden en de termijn van de asielprocedure werden door de Afdeling verworpen.

Uiteindelijk verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd openbaar gemaakt op 28 november 2025.

Uitspraak

202501191/1/V3.
Datum uitspraak: 28 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL25.6016 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 29 januari 2025 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. T. de Boer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol (hierna: JCS) geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1.    Betrokkene verzoekt de Afdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting prejudiciële vragen te stellen over wat er moet worden verstaan onder een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie in de zin van de Opvangrichtlijn.
De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 26 februari 2025, uitgelegd waarom zij geen aanleiding ziet om hierover prejudiciële vragen te stellen. Volledigheidshalve wijst de Afdeling daarnaast op de gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Amsterdam van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4570.
1.2.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3.       Betrokkene voert aan dat zijn grensdetentie onevenredig bezwarend is vanwege zijn medische omstandigheden, zijn seksuele gerichtheid en atheïstische levensbeschouwing. De minister had volgens hem bij zijn aankomst op Schiphol of uiterlijk na het aanmeldgehoor tot deze conclusie moeten komen.
3.1.    Bij aankomst op Schiphol heeft betrokkene verklaard dat hij homoseksueel is en dat hij daardoor dreigementen heeft ontvangen van de Libische autoriteiten. Op de vraag of er omstandigheden zijn die grensdetentie in zijn geval niet mogelijk maken, heeft hij geantwoord dat grensdetentie oké is, zolang zijn zaak in behandeling wordt genomen. Op de vraag of er bijzondere medische omstandigheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden, heeft hij geantwoord dat hij het prima vindt om in grensdetentie te worden geplaatst, ondanks dat hij depressief is en om de zoveel tijd paniekaanvallen krijgt. Tijdens het aanmeldgehoor heeft betrokkene verklaard dat de gehoormedewerker geen rekening hoeft te houden met zijn depressie en paniekklachten en dat hij niet onder medische behandeling staat. Betrokkene heeft aangegeven asiel te hebben aangevraagd vanwege zijn seksuele gerichtheid en omdat hij atheïst is. Tijdens het nader gehoor heeft betrokkene voor het eerst verklaard dat hij het moeilijk vindt dat hij een kamer deelt met iemand uit Saoedi-Arabië die de islam praktiseert. Twee dagen na de afronding van dat gehoor is de grensdetentie opgeheven. De Afdeling ziet in de verklaringen van betrokkene geen reden om te oordelen dat de minister op enig moment tot de conclusie had moeten komen dat de grensdetentie onevenredig bezwarend is.
3.2.    De beroepsgrond slaagt niet.
4.       Betrokkene voert aan dat hij gedurende zijn grensdetentie van 29 januari 2025 tot en met 2 februari 2025 op de tweede verdieping van het JCS verbleef, waar hij meer uren per dag in zijn cel werd ingesloten dan vreemdelingen die daar op de eerste verdieping waren gedetineerd. Dit is volgens hem in strijd met artikel 14, gelezen samen met artikel 5 van het EVRM.
4.1.    De Afdeling heeft in de genoemde uitspraak van 29 januari 2025 geoordeeld dat de omstandigheden waaronder betrokkene in het JCS heeft verbleven, niet maken dat het JCS geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is. Verder heeft zij in die uitspraak, onder 4.4.2, geoordeeld dat de bevoegdheid van de bestuursrechter om detentieomstandigheden te toetsen, niet verder strekt dan de beoordeling of de detentie plaatsvindt in een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie.
4.2.    Alleen al daarom slaagt de beroepsgrond niet.
5.       Betrokkene betoogt dat de minister te laat tot de conclusie is gekomen dat de asielaanvraag zich niet leende voor behandeling in de grensprocedure en de grensdetentie daarom te laat heeft opgeheven, door dit te doen op 11 februari 2025, twee dagen na de afronding van het nader gehoor. Hij voert daarbij aan dat een ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst hem op 10 februari 2025 telefonisch heeft laten weten dat er pas op 11 februari 2025 iemand beschikbaar zou zijn om naar de zaak te kijken. Dit betekent dat hij enkel door personeelstekort twee dagen extra in grensdetentie heeft verbleven.
5.1.    Voor de beantwoording van de vraag of een asielaanvraag zich leent voor behandeling in de grensprocedure, moet de minister een redelijke termijn worden gegund om onderzoek te doen naar onder meer de omstandigheden genoemd in artikel 31, achtste lid, van de Procedurerichtlijn. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:315, onder 3. Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de minister de beslissing om betrokkene in de Verlengde Asielprocedure op te nemen binnen een redelijke termijn heeft genomen en de grensdetentie op tijd heeft opgeheven.
5.2.    De beroepsgrond slaagt niet.
6.       Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 februari 2025 in zaak nr. NL25.6016;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.     wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025
1020