ECLI:NL:RVS:2025:5797
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens verlening machtiging tot voorlopig verblijf
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en bepaald dat de minister vóór 30 november 2026 alsnog een besluit moest nemen.
Appellanten gingen vervolgens in hoger beroep tegen de door de rechtbank bepaalde beslistermijn. Echter, de minister heeft op 28 oktober 2025 alsnog een mvv verleend, waardoor het belang van appellanten bij het hoger beroep is komen te vervallen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellanten, omdat de minister met het verlenen van de mvv aan appellanten tegemoet is gekomen.
De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €453,50, waarbij een wegingsfactor van 0,5 wordt toegepast omdat het hoger beroep uitsluitend over het niet tijdig nemen van een besluit ging.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 28 november 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50.